De Oude Hollandse Waterlinie


In het midden van de Zestiende Eeuw ontstond het idee om grote delen van Holland tegelijkertijd te verdedigen, in plaats van het tot dan gebruikelijke systeem om per vesting(-stad) de defensie ter hand te nemen.
In de Zeventiende Eeuw werd ook de Krimpenerwaard in deze Oude Hollandse Waterlinie opgenomen, waarbij
Schoonhoven de belangrijkste schakel vormde.
Door middel van het onder water zetten (inunderen) van grote stukken land, bemoeilijkte men de vijand deze linie te overschrijden. De inlaatpunten voor het water in de linie werden verdedigd door fortificaties, evenals de verhoogde wegen (accessen). Met betrekkelijk weinig militairen kon de Waterlinie worden verdedigd.

De Oude Hollandse Waterlinie, die in 1672 het leger van Lodewijk de Veertiende verhinderde Holland binnen te trekken, liep van de Zuiderzee naar de Biesbosch.

Tot 1822 had deze linie militaire betekenis; daarna werd de Nieuwe Hollandse Waterlinie in gebruik genomen. Deze liep een stuk meer oostelijk, langs de oostgrens van de stad Utrecht.