De geschiedenis van Schoonhoven

Langs het veenriviertje De Zevender, dat stroomt van de Lopikerwaard naar de Lek, vindt in de twaalfde en dertiende eeuw bebouwing plaats. Waarschijnlijk vormt dit het begin van Schoonhoven. Aangenomen wordt dat de eerste bebouwingen aan beide zijden van de huidige Haven te situeren zijn.

Aan het begin van de dertiende eeuw verrijst langs het riviertje De Zevender een kasteel, waarschijnlijk gebouwd in opdracht van Johannes van de Leede in 1220. Dit bouwwerk brandt in 1518 vrijwel geheel af; de resten werden enkele decennia later geheel gesloopt.

In 1247 wordt de naam Schoonhoven voor het eerst vermeld. Rond 1280 heeft Schoonhoven het karakter van een stad. In de dertiende eeuw wordt begonnen met de bouw van de Grote Kerk.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kaart van Schoonhoven uit 1652.
Aan de noord- en aan de westzijde is de middeleeuwse stadsmuur nog te zien

Graaf Jan II van Holland verleent op 21 augustus 1300 aan Schoonhoven vergunning om een omwalling aan te leggen. Verondersteld wordt dat men in de periode 1304 - 1310 de grachten heeft gegraven. In 1322 verleent Graaf Willem III van Holland stadsrechten. Halverwege de veertiende eeuw is Schoonhoven ommuurd en is een moeilijk te nemen vesting.
De middeleeuwse stadsmuren tellen negentien stenen torens, twee waterpoorten en vijf stadspoorten. De toren op de westhoek van de Lekdijk had de naam 'Stenborch', terwijl de toren, gebouwd op een eilandje in de gracht aan de oostzijde 'nieuw Slijkenborch' heette.

De middelen van bestaan in de veertiende eeuw: hennepteelt (in de Waag wordt voornamelijk hennep en vlas gewogen), veeteelt en visserij en scheepvaart. Ook huisvest Schoonhoven een bierbrouwerij en fungeert het als marktplaats voor de omgeving.

In de veertiende eeuw krijgt de vestingstad Schoonhoven gestalte: in de omwalling bevinden zich dan
vijf stadspoorten, waarover u meer kunt lezen op de onderliggende pagina.

In 1452 wordt begonnen met de bouw van het stadhuis. Rond 1560 heeft Schoonhoven (inclusief het buitengebied) zo'n 3000 inwoners.

In 1572 wordt Schoonhoven ingenomen door de troepen van Lumey (beroemd aanvoerder van de watergeuzen bij de inneming van Den Briel, eveneens in 1572). Deze Lumey -eigenlijk Willem van der Marck, heer van Lumey- was berucht om zijn wreedheden en onder meer verantwoordelijk voor de moord op Gorkumse geestelijken (Gorkumse martelaren). Na een belegering door Spaanse troepen, valt de stad op 24 augustus 1575 weer in Spaanse handen. In 1577 is Schoonhoven weer onder controle van de Staten van Holland
.

In de jaren tussen 1582 en 1601 worden verdedigingswerken aangelegd en verbeterd.
In de zeventiende eeuw wordt gebouwd de Veerpoort (1601), de Waag (1617), de Boterhal en het Doelenhuis (1618). Rond 1650 worden de Grote- of Bartholomeuskerk en de toren gerestaureerd en in 1696 wordt het stadhuis gerenoveerd.

In de zeventiende eeuw zijn er al betrekkelijk veel zilversmeden in Schoonhoven gevestigd; de zilverindustrie zal zich nog geruime tijd uitbreiden.

In 1672 (het rampjaar) vindt de Franse inval plaats. De Hollandse Waterlinie wordt dan met hernieuwd enthousiasme ter hand genomen. De periode tussen 1672 en 1750 kenmerkt zich door een afnemende economische activiteit, als gevolg waarvan de groei van de stad stagneert. De recessie gaat voorbij en in 1758 wordt de Waag uitgebreid, in 1775 wordt het stadhuis gemoderniseerd en in 1783 wordt een nieuw doelenhuis gebouwd.

In het jaar 1816 houdt de Vesting Schoonhoven op te bestaan: stadsmuren en bastions worden goeddeels gesloopt.

In Schoonhoven wonen in 1860 zo'n 2900 mensen. De economie wordt overheerst door de handel in hennep, kaas en graan. Er zijn dan verder tientallen goud- en zilverfabriekjes, er is een loodwitfabriek (die, naar pas veel later blijkt, de bodem flink vervuilt) er zijn koperslagerijen en blikwerkerijen.

Tussen 1914 en 1942 rijdt tussen Schoonhoven en Gouda een trein. (
Klik hier voor meer details).

Pas na de Tweede Wereldoorlog breidt Schoonhoven zich verder uit.
Anno 1999 heeft Schoonhoven een kleine 12.000 inwoners.